Oosterse tapijten zijn speciaal doordat ze handgeknoopt zijn. Een weefsel is samengesteld uit drie delen, de schering, pool en inslag. Een schering is een combinatie van meestal katoenen draden, die verticaal parallelle lijnen hebben tussen twee einden van een weefgetouw. Het zichtbare oppervlak van het tapijt heet een pool die gemaakt is van korte draadjes (in de meeste gevallen wol) die op de schering geknoopt is. Op het tapijt worden de knopen in de breedte geplaatst en nooit in de lengte. De inslag is bijna altijd van katoen en bestaat uit één of meer draden, die tussen twee rijen knoppen worden geweven.